Richtingbezwaren in leerplichtzaak gehonoreerd

De Leerplichtwet (Lpw) biedt ouders ruimte om bij bedenkingen tegen de richting van scholen een beroep te doen op vrijstelling van leerplicht. Dit is geregeld in artikel 5 onder b Lpw. De Lpw bepaalt verder in artikel 6 dat ouders tijdig bij burgemeester en wethouders mededeling moeten doen dat zij “overwegende bedenkingen” hebben tegen de richting van alle op redelijke afstand van hun woning gelegen scholen. De mededeling volstaat dus. Een aanvraag of goedkeuring daarvan is dus strikt genomen niet vereist.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 ligt de lat echter toch best hoog om een dergelijke beroep te laten slagen. De overwegende bedenkingen moeten

1) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren die op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing berusten

2) betrekking hebben op de richting van de scholen en

3)  voldoende concrete en  voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met het onderwijs zoals een school die kan bieden. In afwijking van hetgeen de wetgever indertijd uitdrukkelijk voor ogen stond, mogen en moeten de bedenkingen (in eerste instantie door de Leerplichtambtenaar) inhoudelijk worden getoetst en gewogen.

In een arrest van 22 oktober 2024 merkte het Hof Amsterdam in enkele “overwegingen ten overvloede” op dat de instructie die leerplichtambtenaren bij hun toetsing hanteren meer lijkt in te houden dan de marginale toets die uit de rechtspraak voortvloeit. Het Hof riep daarom op beroepen op vrijstelling indringender te toetsen aan de geldende eisen. In die zaak zelf leidde die indringende toetsing door het Hof er toe dat de ouders die hun bedenkingen aan het soefisme (een mystieke stroming in de Islam) ontleenden geen beroep op vrijstelling toekwam. De  ouders hadden hun bedenkingen tegen openbaar onderwijs onvoldoende concreet gemaakt. Op openbare scholen zal de geloofsovertuiging van de ouders immers in beginsel niet worden tegengesproken of afgekeurd. Dat hun kind door confrontatie met andere overtuigingen in de war zou kunnen raken of kunnen gaan twijfelen was naar het oordeel van het Hof niet concreet gemaakt.

Op 18 februari 2025 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in een zaak waarin de ouders werden bijgestaan door Job Keijser van ons kantoor. De ouders ontleenden hun bedenkingen aan hun seculier humanistische levensovertuiging. Ook daar ging het met name om de vraag of de bedenkingen tegen openbaar onderwijs voldoende concreet en voldoende zwaarwegend moesten worden geacht. De kantonrechter had in eerste aanleg geoordeeld dat ouders er niet waren geslaagd dat aan te tonen.

Ouders voerden in hoger beroep aan dat zij wel degelijk ook tegen openbaar onderwijs fundamentele bezwaren hadden. Kritisch denkvermogen en het appel op de eigen verantwoordelijkheid vergen dat het onderwijs niet ingeperkt wordt door de aan het openbaar onderwijs inherente neutraliteit. Een openbare school biedt weliswaar ruimte voor ieders (godsdienstige) overtuiging, maar biedt daarmee ook een podium voor die overtuigingen zonder die werkelijk kritisch te mogen bevragen. De fundamentele overtuigingen waren voor ouders geen toefje slagroom dat ook wel thuis los van de al op school geserveerde taart kon worden aangeboden. De humanistische normen en waarden moeten daarom volgens de ouders bij de dagelijkse setting in de onderwijssetting uitgedragen en voorgeleefd worden. Aan de hand van de kerndoelen PO kon de relevantie van de bedenkingen tegen neutraal onderwijs nader worden geconcretiseerd. Ouders hadden de beschikbare openbare school bezocht. De schooldirecteur had toen zelf gezegd dat de school waarschijnlijk niet bij de overtuiging van ouders zou passen. Het Hof oordeelde dat de aangevoerde bezwaren door ouders voldoende concreet en voldoende zwaarwegend waren. Daarbij oordeelde het Hof dat het belang van het kind bij onderwijs en contact met andere kinderen geborgd waren. Er waren voor het Hof onvoldoende aanwijzingen dat het kind in het licht van artikel 29 International Verdrag inzake de Rechten van het Kind iets tekortkwam.

Expliciet overwoog het Hof dat ‘met een te restrictieve uitleg van artikel 5 aanhef en onder b, van de Leerplichtwet in deze zaak  [cursivering Hof] de materiële gerechtigheid komt te ontvallen hetgeen een onnodig hard oordeel jegens de verdachte – en haar dochter - oplevert.’ De ouder werd daarom vrijgesproken van de haar ten laste gelegde overtreding van de Leerplichtwet.

Vorige
Vorige

Herregistratie in het Schoolleidersregister PO

Volgende
Volgende

Wetsvoorstel onderwijshuisvesting frustreert klimaatdoelen