Wetsvoorstel onderwijshuisvesting frustreert klimaatdoelen

Eind januari 2025 heeft de Staatssecretaris van OCW het Voorstel van wet Planmatige aanpak onderwijshuisvesting bij de Tweede Kamer ingediend. Vergezeld van het advies van de Raad van State van 3 juli 2024.

De bedoeling van het wetsvoorstel is niet het huidige stelsel van onderwijshuisvesting te wijzigen. Ambitie is wel om het stelsel te “optimaliseren”. Wanneer het ministerie van OCW het geoptimaliseerde stelsel vervolgens goed in kaart heeft zal pas besloten worden of er meer geld nodig is voor de onderwijshuisvesting.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt de term “total cost of ownership” vaak gebruikt. Het ministerie heeft dit opgepikt uit de huidige praktijk van onderhandelen tussen gemeenten en schoolbesturen over de kosten van de onderwijsgebouwen. Er gelden strengere regels gelden voor duurzaam bouwen en gemeenten en schoolbesturen. Onder andere als gevolg van de zogenaamde BENG-normen. Gemeenten en schoolbesturen bouwen zelf ook graag klimaatneutrale scholen. Er is nu aandacht voor de financiële gevolgen daarvan. Als een gemeente bij (ver-)nieuwbouw meer energiebesparende maatregelen neemt heeft het schoolbestuur bijvoorbeeld de daaropvolgende jaren minder kosten aan gas en elektriciteit. De stelling van gemeenten is (regelmatig) dat schoolbesturen om die reden bij moeten dragen aan de nieuwbouwkosten. Naar deze afwegingen verwijst de term total cost of ownership. Het ministerie zegt dat “de beslissing wordt genomen met inachtneming van de totale kosten van bouw, onderhoud en exploitatie gedurende de gehele gebruiksperiode van het gebouw”.

De memorie van toelichting verwijst ook naar de Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen in het funderend onderwijs uit 2019. Daarin zeggen de sectorraden en de VNG gezamenlijk dat het totale investeringsprogramma om de klimaatambitie te realiseren 42 miljard euro bedraagt. Dat is 21 miljard meer dan wat er in het huidige scenario wordt uitgegeven aan scholenbouw voor het funderend onderwijs.

In het kort bevat het wetsvoorstel het volgende:

  • Het Integraal Huisvestingsplan (IHP) wordt wettelijk verankerd als verantwoordelijkheid van de gemeente. Hierbij moet een cyclus van vier jaar gehanteerd worden. De gemeente stuurt het IHP ook aan het ministerie van OCW. Hierdoor denkt het ministerie de staat van de schoolgebouwen én de staat van de verduurzaming van de schoolgebouwen in kaart te kunnen brengen.

  • Schoolbesturen stellen een Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) op en delen dat met de gemeente ten behoeve van het IHP. Hierbij geldt ook een cyclus van vier jaar.

  • Renovatie is een nieuwe voorziening in de huisvesting. Renovatie wordt gedefinieerd als “een alternatief voor nieuwbouw waarbij sprake is van vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een samenhangend geheel van maatregelen, dat is gericht op het verlengen van de levensduur van het gebouw of het gedeelte daarvan”.

  • Het investeringsverbod voor het primair onderwijs komt te vervallen. Schoolbesturen in het primair onderwijs mogen eventuele overschotten in de exploitatie dus aan huisvestingsvoorzieningen gaan besteden.

De reactie van de PO-Raad en van de VO-Raad op het wetsvoorstel is identiek. Zij zeggen dat zij erop gewezen hebben dat er meer geld nodig is om de kwaliteits- en klimaatambities te behalen. Zij zien dat bevestigd in het advies van de Raad van State. Het wetsvoorstel voorziet daar niet in. De sectorraden gaan uit van invoering van de wetswijzigingen in 2026. Daarna zal het ministerie dus de stand van de verduurzaming in het funderend onderwijs in kaart gaan brengen. Daarna wordt pas bekeken of er bij dit geoptimaliseerde stelsel toch nog meer bekostiging nodig is voor verduurzaming. Het is daardoor onvermijdelijk dat verbetering van de energieprestaties van schoolgebouwen vóór 2030 niet gerealiseerd gaat worden. Onze perceptie van de praktijk van IHP’s maken en uitvoeren door gemeenten en schoolbesturen is namelijk dat zij dit al prima kunnen afspreken met elkaar, maar dat de financiën ontbreken om voldoende te investeren in schoolgebouwen. De discussie over de bekostiging tussen gemeente en schoolbesturen leidt al jaren tot veel vertraging in de uitvoering. Vandaar dat de sectorraden aangeven dat er extra middelen nodig zijn.

Zoals tot nu toe het geval is voor alles wat het huidige kabinet doet is het wetsvoorstel dus vooral een manier om te verhullen dat men feitelijk niets doet aan de huidige problematiek. Dit wetsvoorstel zal gemeenten en schoolbesturen niet helpen bij hun aanpak van de huidige knelpunten.

Vorige
Vorige

Richtingbezwaren in leerplichtzaak gehonoreerd

Volgende
Volgende

Beoordelingsvrijheid van de Inspectie van het Onderwijs gaat te ver